Specialist in arbeidsrecht

Gelijke behandeling

Discriminatiegronden

Artikel 1 van de Grondwet bepaalt dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. Discriminatie is niet toegestaan. Deze norm is in verschillende gelijkebehandelingswetgeving nader uitgewerkt, zoals de Algemene Wet Gelijke Behandeling en de Wet Gelijke Behandeling op grond van Leeftijd bij de arbeid.

De in de wet opgenomen gronden op grond waarvan geen onderscheid mag worden gemaakt, zijn de volgende:

  • Godsdienst;
  • Levensovertuiging;
  • Politieke gezindheid;
  • Ras;
  • Nationaliteit;
  • Geslacht;
  • Seksuele gerichtheid;
  • Burgerlijke staat;
  • Leeftijd;
  • Handicap of chronische ziekte.

Daarnaast zijn er in het Burgerlijk Wetboek verschillende specifiek op de arbeidsverhouding toegespitste verboden van onderscheid opgenomen. Tenzij objectief gerechtvaardigd, is het maken van onderscheid tussen werknemers op de volgende gronden verboden:

  • Arbeidsduur;
  • Het al dan niet tijdelijke karakter van de arbeidsovereenkomst.

Direct en indirect onderscheid (discriminatie)

Van direct onderscheid is sprake als een persoon op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie op grond van één van de discriminatiegronden. Direct onderscheid is in beginsel altijd verboden: er is geen objectieve rechtvaardigingsgrond mogelijk. Wel kan er een wettelijke uitzonderingsgrond bestaan.

Van indirect onderscheid is sprake als een ogenschijnlijk neutrale bepaling een persoon op grond van één van de discriminatiegronden bijzonder treft in vergelijking met een ander. Indirect onderscheid is verboden als hiervoor geen objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat.

Toetsingskader ongerechtvaardigd onderscheid

Om te beoordelen of sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid, dient eerst te worden bekeken of het onderscheid gebaseerd is op een van de discriminatiegronden. Is dit het geval, dan moet worden beoordeeld of sprake is van direct of indirect onderscheid.

Is sprake van direct onderscheid, dan is sprake van verboden onderscheid, tenzij een van de wettelijke uitzonderingsgronden zich voordoet.

Is mogelijk sprake van indirect onderscheid, dan moet eerst worden onderzocht of de betreffende ogenschijnlijk neutrale bepaling een groep bijzonder treft. In beginsel is hier sprake van als de groep met het onderscheidende kenmerk anderhalf keer zo vaak wordt getroffen door de bepaling dan anderen die door de bepaling worden getroffen. Leidt de bepaling tot indirect onderscheid, dan moet worden bekeken of hier een objectieve rechtvaardigingsgrond voor bestaat. Als met het onderscheid een legitiem doel wordt gediend en de middelen voor het bereiken van het doel passend en noodzakelijk zijn, is het doel objectief gerechtvaardigd. Een doel is legitiem als het voldoende zwaarwegend is en beantwoordt aan een werkelijke behoefte. Een passend middel is een middel dat geschikt (subsidiariteit) en noodzakelijk (proportionaliteit) is om het beoogde doel te bereiken. Is sprake van indirect onderscheid zonder dat hiervoor een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat, dan is sprake van ongerechtvaardigd onderscheid.

Contact

Meer weten over gelijke behandeling en discriminatie? WAL Legal helpt u graag verder. Neem gerust contact met ons op.